Keep calm and carry on

cartoon keep calm and carry on

Keep calm and carry on, staat er boven het trapgat van ons huis. De poster is een verjaardagscadeau van mijn vriendin om mij er in drukke tijden aan te herinneren dat alleen kalmte je kan redden. En misschien wel gelukkig kan houden. De praktijk:

Het is vroeg in de ochtend. Ik storm de badkamer uit en wil naar de woonkamer een verdieping lager. Haastig doe ik de knoopjes van mijn blouse dicht, terwijl ik naar beneden ren. Allerlei gedachten razen door mijn hoofd. Ik moet die middag een moeilijke training geven aan 20 nauwkeurige intelligente ingenieurs en ’s avonds mag ik 5 filosofen interviewen in een Amsterdams theater. Leuk natuurlijk, maar bij beide menssoorten is een goede voorbereiding absoluut vereist, want anders trekken ze je vliegensvlug mee in hun voor mij abstracte wereldbeelden. Dus dochtertje naar de crèche en voorbereiden die dag!

Nee. Ik sla twee treden over en kom met mijn voet op twee A4-tjes van de Belastingdienst terecht. Ik glijd uit en beland met mijn ellenboog in de ruit naar buiten. Die breekt. Ik schrik me kapot, want ik blijk aan twee kanten vast te zitten in het glas en ik krijg de arm er niet uit.  Koelbloedig kan ik maar een ding bedenken om te doen, keihard gillen.

Daar komt mijn vriendin aanrennen. In paniek breekt ze met haar hand de rest van het glas om me los te maken. Ze snijdt haar eigen vinger open en begint als een gek te bloeden. Mijn dochtertje van anderhalf komt erbij en zegt het enige woordje wat ze kent, twee keer: “oh, oh.”

Keep calm and carry on. De Britse regering liet deze slogan op prachtige posters drukken tijdens de Tweede Wereldoorlog om haar burgers een hart onder de riem te steken. Het beroemde motto beleeft nu een revival. Als je er op let, zie je het overal. Maar de Britten hebben de aanmoediging toen nooit gezien! Succesvolle critici zagen die als te duur en neerbuigend. De overheid hing de 2,5 miljoen affiches uiteindelijk niet op.

Absoluut niet kalm gaan we als gezin naar de huisarts om de hoek. Zij blijkt met verlof, maar een waarnemend arts is paraat. Ze kijkt naar mijn vriendin’s vinger en zegt: “Oef, dat is te moeilijk voor mij.” Ze bekijkt mijn bloedende vleeswonden, constateert dat die niet levensbedreigend zijn en zegt: “Jij bent hier toch niet ingeschreven? Dan kan ik niets voor je doen.”

Wij naar de Eerste Hulp. Daar lacht de verpleegkundige om de wond van mijn vriendin. Ze verbindt het in een oogwenk en zegt dat we daarvoor niets hoeven te betalen. Ik moet gehecht worden. We worden verwelkomd door een rustige grapjestappende arts en een nerveuze co-assistent. De dokter stelt me gerust. Er zijn geen pezen doorgeknipt. “Een gelukje,” zegt hij vrolijk. Daarna hecht hij de eerste wond. “Mag de assistent de tweede wond doen?” Ik kijk naar de zenuwachtige en rood aanlopende jongen. “Ok,” zeg ik.  Hij bibbert en prikt twee keer mis. Z’n begeleider zegt: “Doe nou maar gewoon kalm en ga door.” Hoewel mijn voorbereiding voor die dag naar de maan is, fleur ik wat op. Ik denk aan ons trapgat. Keep calm and carry on. Houd ik er naast twee littekens, een gebroken ruit en een behoorlijke schrik in de benen, er in elk geval een column aan over.

 

 

Gronings Geluk

Je studententijd is de gelukkigste tijd van je leven!, luidt het cliché. Is dat zo? Natuurlijk, de ultieme vrijheid: een eigen kamer, geen ouders meer die met alles meekijken en nauwelijks college-uren. Toen ik 19 was toog ik naar Groningen, omdat dat de tofste studentenstad van Nederland zou zijn. En ik vond dat het klopte. Kroegen die nooit dichtgingen, duizenden mensen van dezelfde leeftijd op die ene centrale vierkante kilometer en de dan al nostalgische geur van suikerbieten (is die er nog?).

Natuurlijk was er ook de invloed van de Groningers, de stadjers. Ik ervoer ze als doodnuchter en hoewel het Groningse gezegde klinkt: tied holt gain schaft (de tijd staat niet stil), leek het alsof ze alle tijd van de wereld hadden.

Toen ik in het begin van mijn studententijd bij het verlaten van de bus eens aan een buschauffeur vroeg hoe ik verder moest lopen, pakte hij er een kaart bij en nam een paar minuten de tijd om mij precies uit te leggen waar ik heen moest. Ik stond perplex! Nerveus keek ik achterom de bus in, worden al die mensen niet ontzettend ongeduldig? In de Randstad had iemand al wat geroepen als: “zeg hallo buschauffeur, mankeert er wat aan je gaspedaal?” Ik hoorde niets. Iedereen keek onbewogen het raam uit of las wat. Ook elders viel het op: de Groningers waren zo geduldig als wat.

Het leek wel of die mentaliteit zijn weerslag had op ons studenten. Ik had zeeën van tijd. Hoeveel kopjes (overigens verschrikkelijke) koffie dronk ik niet met vrienden op de Letteren faculteit? Maar was dit nu de gelukkigste tijd van het leven? Als ik later een lijn trek van mijn hele leven, is deze relatieve korte periode dan inderdaad de mooiste, gelukkigste of indrukwekkendste?

Volgens de Franse Filosoof Bergson bestaat er naast de lineaire kloktijd van minuten en dagen ook een innerlijke ervaren duur tijd. De tijd gaat hierin volgens hem van het ene moment, vloeiend over in het volgende. In het nieuwe moment wordt het verleden automatisch meegenomen. Hij zwelt langzaam aan als een sneeuwbal die van een berg afrolt.  In de duur tijd breek je uit de rigide kloktijd en ervaar je optimale creativiteit, geluk en vrijheid. Je laat het leven dan even op zijn beloop, aldus de Fransman.

Is je studententijd dan de tijd waarbij de sneeuwbal het meeste sneeuw met zich meeneemt? Waar bij je misschien alle tijd hebt om het leven eens op z’n beloop te laten? Omdat je even geen permanent onderdeel uitmaakt van een gezin en je kan doen wat je wilt zonder rekening te hoeven houden met anderen? Maar het is ook de tijd waarin je grote keuzes maakt over loopbaan en liefde. Volgens onze nationale Geluksprofessor Ruut Veenhoven “twijfelen veel studenten over hun opleiding en hebben ze een wisselend relatieleven. Daar worden ze niet gelukkiger van. Bij veel studenten overheerst daarom het getob” (lees bijvoorbeeld deze column).

Veenhoven noemt de studententijd misschien niet de gelukkigste tijd, maar wel een hele belangrijke fase in je leven, waarbij je veel leert over wat je nu eigenlijk wilt.  Ach, realiseer ik me, misschien ben ik gewoon nog te vroeg. Volgens mij kan ik pas aan het einde van mijn leven bepalen of het Gronings geluk de mooiste was. Ik laat het je te zijner tijd wel weten.

Dood gelukkig

Een dode saxofoonspeler, een gestorven vrijend paartje, een nooit geboren foetus op sterk water, je kunt het allemaal zien bij Body WorldsThe Happiness project in Amsterdam.

Sinds ik een keer werd afgesneden door een taxi met een reclame voor deze permanente tentoonstelling (oh hoe ironisch was dat geweest, om te verongelukken door een happiness taxi),  wilde ik naar deze tentoonstelling. Niet dat ik bijzonder word aangetrokken door dode lichamen, maar ja die relatie met geluk…. Ook al voelde ik afkeer, het was in Amsterdam en ik schrijf en vertel nu eenmaal verhalen over dit onderwerp, dus off we go in de regen naar het druilige Damrak, de “rode loper” van Amsterdam.

Ze zijn er echt, de lijken. Ze zijn geplastineerd, een methode waarbij weefselvocht wordt vervangen door een soort siliconen kunststof.  Hierdoor blijven de lichamen voor eeuwen geconserveerd.  Het bedrijf beweert (boze tongen zeggen dat het geëxecuteerde Chinezen zijn) dat het allemaal donoren zijn; mensen die hun lijf vrijwillig ter beschikking stellen aan de wetenschap.

Ik denk dan altijd dat nerveuze geïnteresseerde medicijnenstudenten na je dood in je lichaam gaan snijden, maar het kan dus ook betekenen dat slimme commerciële uitbaters jouw lijf villen en tentoonstellen in hartje Amsterdam. En dat aan totaal verzopen toeristen voor het luttele bedrag van 20 euro (Het Rijksmuseum kost ter vergelijking 15 euro).  Oh wacht even, ik zou er zonder vooroordeel heen gaan;-).

Goed, ik bekijk de opgezette mensen en lees de bijpassende informatie over geluk. Ik herken de  bevindingen van de Amerikaanse Sonja Lyubormirsky. Zij is een van de weinige mensen die echt wetenschappelijke onderzoek doet naar geluk en daar populaire boeken over schrijft.  (Zie ook deze column). Op de muur staan dus dingen als: geluk is voor 50% genetisch bepaald, voor 10% door de omstandigheden en 40% heb je in eigen hand. Of muziek maken of ernaar luisteren maakt gelukkiger en be active, relax, rest and do it daily.

Naast deze teksten vind je bijpassende lichamen of lichaamsonderdelen. Bij bovengenoemde voorbeelden respectievelijk: een compleet zenuwstelsel en ontlede hersenen, de genietende saxofoonspeler en een hoogspringer in volle actie.

De tentoonstelling is gevestigd in een oud Amsterdamse Grachtenpand, dat zes verdiepingen telt. In de kelder gaat het over seks, iets dat natuurlijk niet mag ontbreken in onze losbandige hoofdstad. We zien een in elkaar geschoven vrijende paartje en leren allerlei onverwachte wetenswaardigheden over de voortplanting. Zoals ‘de missionarispositie is het meest favoriete standje ter wereld’ en ‘genot maakt gelukkig.’  Aha.

Je voelt het al aankomen. Ik ben doodongelukkig met deze tentoonstelling. De relatie die gelegd wordt tussen de lichamen en geluk zijn vergezocht. En er passeren een hoop clichés de revue zoals ‘dikke mensen zijn ongelukkiger’ en daarnaast dan een voorbeeld van een doorsnede van een vet lichaam. Een journalist zou misschien zeggen dat het teveel praatje plaatje is (het beeld is slechts een illustratie van wat er al wordt verteld)  en dat maakt het een wat saaie en oppervlakkige biologieles. En soms zie je alleen een niet geboren foetus op sterk water, waarbij de relatie met geluk misselijk ver te zoeken is.

Het heeft allemaal iets goedkoops, terwijl het voor een tentoonstelling in Amsterdam best duur is. Dat maakt het daar aan het Damrak een echte Tourist Trap. Ik stel m’n lijf niet ter beschikking. Dan word ik liever een donor. Jij?

Het ongeluk van oordelen

“Die jongen daar is homo. Kijk maar eens goed. Zo ziet een homo eruit,” hoorde ik ooit iemand op de middelbare school over mij zeggen. Ik die louter meisjes leuk vond, was stomverbaasd en zou dit nooit meer vergeten.

Toen mijn homoseksuele oom stierf aan AIDS, zei een Zwitserse reisgenoot met wie ik op dat moment op reis was door Australië:  “Zo, die kreeg wat hij verdiende.” Pijnlijke discussies volgden en onze wegen scheidden.

Oordelen kunnen flink pijn doen, en nog steeds, als je ze opschrijft.

Natuurlijk laat ik me ook niet onbetuigd: Mart Smeets (hoe gaat het met hem eigenlijk?) heb ik altijd een arrogante plofaap gevonden en over mijn exen heb ik in kleine kring meer dan eens ongezouten mijn mening gegeven, niet in staat om hevige emoties te scheiden van de relatieve realiteit.

“Stop laat oma thuis” was de titel van een eerdere column van mij. De strekking was: laat oordelen, meningen en adviezen weg uit een gesprek als je echt wilt luisteren. Toen richtte ik me met name op adviezen, nu op oordelen en meningen. Eerst het verschil tussen de twee met dank aan Van Dale: een oordeel is een goed- of afkeurende uitspraak. Een mening is een manier waarop je over een bepaalde zaak denkt. Soms kunnen ze ook hetzelfde betekenen, dus het loopt wel eens door elkaar heen.

Hoe dan ook, de wereld komt natuurlijk om van de oordelen en meningen. Zeker nu we online zijn gegaan. Dit gaat soms veels te ver. Bijvoorbeeld in het geval van de arme 15-jarige Canadese Amanda Todd.  Harde oordelen en pesterijen over haar naaktfoto’s, die nota bene een Nederlander bij haar afdwong en publiceerde, dreven haar uiteindelijk tot zelfmoord. (zie hier haar indrukwekkende verhaal)

Alle wereldreligies en veel bekende filosofen raden je aan om te stoppen met oordelen. Het bevordert zelfs je geluk. “Als je evenwichtig wilt leven”, zei de stoïcijn Epictetus, “oordeel dan niet over andere mensen.”  Ook Jezus zei: “Oordeel niet, dan zal er niet over jou geoordeeld worden.”

Inzien dat oordelen en meningen ongelukkiger maken is één, ze achterwege laten is veel moeilijker. Hoe kun je dat bereiken? Onlangs verscheen het interessante en intelligente boek: “De filosofie van het verstaan,” van de filosofen Heinz Kimmerle en Renate Schepen. Het boek spitst zich toe op interculturele dialogen. Hoe kunnen mensen elkaar beter verstaan in een stad of land die steeds diverser wordt? Een belangrijk aspect  hierbij is het oordeel.  Kimmerle zegt in het boek, “dat je altijd wel een vooroordeel hebt. Voor de duidelijkheid zou je het zelfs met een koppelteken kunnen schrijven: voor-oordeel. Het verstaansproces voltrekt zich dan als een heen-en-weer-gaan tussen je voor-oordeel en het iets dat je beter wilt verstaan. Je voor-oordeel wordt op die manier steeds meer een duidelijk en –zo veel als mogelijk- oordeel.”

Deze houding vergt veel van de mens. Volgens het boek bieden dialogen uitkomst. Maar het vergt openheid en interesse voor de ander, of zijn of haar cultuur, empathie en een zekere nieuwsgierigheid. Het boek is een mooie voorzet met geëngageerde voorbeelden over de Zwarte Piet discussie en het Nederlandse slavernijverleden.

Het interessante is dat als je je ergens begeeft tussen voor-oordeel en definitieve oordeel, je het geluk van je zelf en de ander kunt vergroten. Regelmatig even op je tong bijten dus! Sorry Mart.

Domweg gelukkig in een rijtjeshuis?

Zie ze daar staan. Fier op een eindeloze rij. Bestand tegen weer en wind. Slechts onderbroken door parkeerplaatsen en plantsoenen. Op het oog gelijk en saai, maar ondertussen gebeurt onder de daken van alles. Er wordt geruzied, gelachen, verwekt, gegeten, gerelaxed, naar beeldschermen getuurd, en de kans is groot dat jij er ook heengaat als je terugkomt van werk. Het is jouw eigen rijtjeshuis.

Want ruim 4 van de 7 miljoen woningen in Nederland is een rijtjeshuis! Een werkelijk ongelooflijk aantal. We hebben het hier over minstens 57% van de woongelegenheden! Toch had ik het kunnen weten. Ik groeide op in Hazerswoude Rijndijk, een dorp dat alleen maar bestaat uit rijtjeshuizen, her en der afgewisseld door een galerijflat. Als kind vond ik het allemaal normaal. Tot wij in een vakantie een huizenruil deden met een Zweedse familie. Eerst vergaapten we ons aan hun reuze appartement in Stockholm om daarna af te reizen naar hun romantische Pippi Langkousachtige zomerhuis. Oei, dacht ik opeens beschaamd: wat moeten zij nu bij ons?
cartoon

Na deze bewustwording ging het bergafwaarts met mij en ons huis. Rücksichtslos trok ik de voordeur achter me dicht, op zoek naar een ander soort wonen. Want zag ik opeens, met excuses aan het merendeel van de Nederlanders: rijtjeshuizen zijn toch het voorbeeld van Hollandse burgerlijkheid waar je in een razend tempo ongelukkig & oud wordt?

Fout, zegt filosoof Pieter Hoexum. Hij schreef het boek “Kleine filosofie van het Rijtjeshuis” waarin hij een eigenzinnige kijk op onze nationale woning geeft door het fenomeen werkelijk in alle aspecten te bestuderen. Hij belicht belangrijke zaken als buren, tuinhekjes en stoepen. Zijn boek in 56 woorden: modern stadsmens, kom eens tot bezinning. Op een gegeven moment is het toch genoeg met die drukke stad, waar je te veel geld betaalt voor die lullige vierkante meters? Wees toch eens blij met wat je kunt hebben in die veilige rustige buitenwijk. Doorzie en omarm die ogenschijnlijke saaie sleur daar.

Wat opvalt als je Hazerswoude binnenrijdt, is dat alles zo hetzelfde oogt. Je ziet allemaal dezelfde soort huizen. Niet waar, zegt Hoexum. Buitenwijkhaters kijken niet goed. Elk huis heeft van zijn bewoners zijn eigen accent gekregen. De een heeft bijvoorbeeld een dakkapel, de ander weer een serre. Zo concludeert hij dat in verbouwde rijtjeshuizen de twee ogenschijnlijke tegenstrijdige idealen gelijkheid en vrijheid mooi samenkomen. In een rijtjeshuis kun je autonoom zijn, maar je maakt tegelijkertijd onderdeel uit van de gemeenschap. Hij doet er zelfs nog een schepje bovenop: “door het rijtjeshuis worden de idealen van de Franse Revolutie eindelijk gerealiseerd: vrijheid, gelijkheid, nabuurschap.”

Aha, de Franse revolutie op een lijn met het rijtjeshuis. Interessant. Maar de hamvraag is: maakt het uit waar je woont als je thuis gelukkig wilt worden? Het is natuurlijk persoonlijk, maar zolang je huis geen bouwval is, kun je overal in Nederland een heel aardig eind komen. En weet je? Ik had een heerlijke jeugd in Hazerswoude. De Zweden schreven ons zelfs dat ze hun beste vakantie ooit hadden bij ons. Ze waren blij met ons praktische huis, de gezellige buren en wat was die alcohol goedkoop in Nederland!

Ik klamp me vast aan deze herinneringen. Want ik ben op zoek naar een nieuw huis waar mijn dochtertje veilig kan buitenspelen en ik kom verdacht vaak uit bij zo’n verdraaid betaalbaar rijtjeshuis.

Stalkt de Kleine Prins jou ook?

Fifty Shades of GreyHarry Potter en Het Diner zijn boeken die voor sommige mensen net iets te populair zijn. Ze willen ze daarom met geen vinger aanraken. Het heeft misschien iets te maken met snobisme: “Als iedereen het goed vindt, dan zal het wel oppervlakkig zijn,” denken ze. Zelf ben ik stiekem zo iemand. Met Harry Potter zat ik goed fout. Per ongeluk las ik deel 3 en meteen was ik verkocht voor de hele serie.

Ik had het ook met De Kleine Prins. Dat gezwijmel over dat jochie in de ruimte. Mensen noemen het net iets te vaak en de tekeningen uit het boekje kom je tot vervelens tegen op kalenders en mokken. Ook dichtbij huis stalkte het kleine ventje me: mijn vriendin spaart exemplaren in allerlei talen. Recalcitrant liet ik ze jaren links liggen.

Tot ik een boekje kreeg met de mooiste citaten van de auteur Antoine de Saint-Exupéry. Ik vond het interessant en dacht: laat ik me voegen bij die andere 80 miljoen mensen die het boekje hebben gelezen. Nederig vroeg ik mijn vriendin om het Nederlandse exemplaar dat ze vervolgens triomfantelijk overhandigde.

Eindelijk maakte ik kennis met het mannetje dat eenzaam en alleen op een planeet woont. Waarschijnlijk heb jij het boek allang gelezen, maar dit is wat mijn opviel: de enige metgezellen van de prins zijn drie vulkanen (waarvan een dood) en een bloem. De laatste is ijdel,  kwetsbaar en onaardig. Toch beschermt en verzorgt de prins haar. Als hij het wijde heelal in wil trekken om zijn eenzaamheid op te lossen, zegt ze: “Ik heb me dwaas aangesteld. Vergeef het me maar en streef naar geluk. Ik houd van je. Je hebt dat nooit geweten door mijn eigen schuld.” Aha daar begint het sentimentele gejammer, denk ik. De prins vertrekt.
Kleine prins

Na allerlei omzwervingen en ontmoetingen in het heelal reist hij af naar de aarde. Hij komt een piloot tegen die is neergestort in de woestijn en verwoede pogingen doet om zijn vliegtuig te repareren. Saillant detail is dat de schrijver zelf vliegtuigbestuurder was en een jaar nadat hij het boek had afgerond, verongelukte in de Middellandse Zee.

De prins vertelt de piloot dat hij op aarde allerlei bloemen tegenkwam die leken op die ene bloem op zijn planeet. Hoe bijzonder was zij dan nog? Na wat tranen en wijze levenslessen van een vos valt het kwartje. Hij zegt tegen de rozen: “Natuurlijk zou een willekeurige voorbijganger geen verschil zien tussen mijn eigen roos en jullie. Maar toch is zij, zij alleen, veel belangrijker dan jullie allen, omdat ik haar water heb gegeven, haar heb beschut (…) omdat zij mijn roos is.” De vos zegt: “alle tijd die je hebt besteed aan je roos, maakt je roos juist zo belangrijk.”

Interessant! Dat geldt natuurlijk ook voor je hobby’s, vrienden, buren, familieleden, lievelingsboeken etc. De tijd die je er aan hebt besteed, maakt het voor jou waardevol. En ook werpt het een ander licht op het gejammer van de roos. Die haar enige vriend op haar planeet loslaat, zichzelf opoffert en hem opdraagt om gelukkig te worden, zoals ouders dat met kinderen moeten doen en verliefden met exen. Misschien hadden die 80 miljoen lezers voor me toch gelijk.

Op naar Fifty Shades of Grey!

Leer toch een vak jongen

“Ik ben overheidsprofessional,” krijg ik als antwoord op een feestje na het stellen van de onvermijdelijke vraag wat doe jij. Verder lopen er nog een stuk of wat strategy developers, chef marketeers en productmanagers rond. Maar wat doen die mensen nu precies de hele dag?

Waar zijn de matrozen, schoenmakers en pijplassers gebleven? Oké, die zitten misschien wat minder in mijn vriendenkring als geluksprofessional;-). Maar dan nog, wat is er toch gebeurd met de oude ambachten?

Vandaag de dag ambiëren mensen blijkbaar liever een loopbaan als professional. Het is vaag maar je kunt nog steeds alle kanten uit. Op carrieretijger.nl lees ik een definitie. De professional heeft veel kennis en specifieke vaardigheden op een bepaald vakgebied. Maar de Van Dale kent deze persoon niet en heeft het slechts over beroepssporters.

Verwarring alom. Ik ga te rade bij de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, die het boek the Craftsman schreef. De titel betekent in het Nederlands ambachtsman of vakman. Sennett raast door de tijd en start met de eerste vakman allertijden, de Griekse God van de ambachten Hephaistos. Hij was de goudsmid op de Olympos. Hij was ook mank, waardoor de andere goden hem altijd uitlachten. Dit lijkt symptomatisch voor de ambachtslieden. Mensen lijken op hen neer te kijken, omdat ze hun handen niet vuil willen maken.

Onterecht volgens Sennett. Echte vaklieden werken al eeuwen lang met hoofd en handen en door die combinatie maken ze de beste en mooiste dingen. Uit onderzoek blijkt overigens dat het maken van concrete voorwerpen als een glas in lood raampje, een schoen of een soufflé de mens veel gelukkiger maakt en voldoening geeft dan het schrijven van een reorganisatieadvies of bouwverordening. Verrassend.

Sennett gaat door. De ambachtslieden organiseerden zich in gildes die hoge eisen stelden aan hun leden en de kwaliteit van hun producten. Daarnaast oefenden ze veel invloed uit in de stadsbesturen. Ook zorgden ze ervoor dat de opgedane kennis eeuwenlang in de familie en beroepsverenigingen bleef. Zo waren ze onmisbaar voor een samenleving. Wie bakte anders je brood? Wie looide je leer?

Computers en machines doen dat tegenwoordig. De meeste ambachten zijn net als de ambachtsschool teruggedrongen naar kleine pittoreske dure werkplaatsen. The last men standing? Loodgieters (met voorrijkosten;-), meubelmakers en ijsverkopers.

Sennett vindt dit jammer en ziet het liefst alle ambachtslieden terugkeren. Onmogelijk, maar hij treurt niet lang. Volgens hem kan iedereen een vakman worden. En wie op ambachtelijke wijze aan de slag gaat met zijn leven, loopt zelfs kans om gelukkig te worden of te slagen in zijn carrière.

De socioloog deed uitvoerig onderzoek naar de werkwijze van vakmensen. Hij ontdekte dat zij allemaal werken en leven volgens de volgende principes. Een ambachtsman:

  • is flexibel en zeker niet dogmatisch. Hij werkt dan wel volgens eeuwenoude bewezen routines en gewoontes, maar hij is altijd bereid om hiervan af te wijken en te improviseren. Elk eindresultaat kan er altijd anders uitzien dan je aanvankelijk had gedacht.
  • hecht positieve waarde aan onvoorziene gebeurtenissen. Problemen waar hij op stuit, zet hij altijd om in mogelijkheden.
  • vermijdt perfectionisme. Als perfectionist ben je meer met jezelf bezig, (kijk eens wat ik allemaal kan), dan met je materiaal of opdracht.
  • werkt langzaam en neemt constant tijd voor reflectie.
  • heeft een jarenlange opleiding gehad en kent de geschiedenis van het vak.

En werk of leef jij volgens deze principes? Schuilt er wellicht toch een ambachtsman in jou? Dan maak je zeker meer kans om gelukkig te worden en te slagen als professional. En anders kun je gewoon mijn oma’s advies opvolgen: “leer toch gewoon een vak, jongen.”

De fout in onze sterren

“De fout, beste Brutus, ligt niet in onze sterren, maar in onszelf.” Deze zin komt uit het toneelstuk Julius Caesar van William Shakespeare. Je zou het kunnen interpreteren als: alle dingen die mis gaan op de wereld zijn niet ons lot, maar onze eigen domme schuld.

In het boek The Fault in our Stars ontmoeten twee puberende Amerikaanse kankerpatiënten elkaar op een gespreksgroep. Augustus was ernstig ziek en mist nu een been, Hazel heeft terminale longkanker. Het tweetal correspondeert met een kinderboekenschrijver in Amsterdam. Nadat hij in een brief dit citaat van Shakespeare aanhaalt, zegt de schrijver: “maar in onze sterren is er ook geen tekort aan fouten. Hoe zouden jullie, twee kinderen, schuldig kunnen zijn aan de kanker die jullie is overvallen?”

Hazel en Augustus vinden veel troost in het fictieve boek van deze Peter van Houten. Het is grappig om de lezen en te zien –de film draait nu!– hoe de twee tieners naar Amsterdam afreizen om hem te ontmoeten (en overigens ook hoe de echte schrijver John Green zijn dichterlijke vrijheden gebruikt om Amsterdam af te beelden 😉 Knap beschrijft Green de zware thema’s waarmee de tieners worstelen, met als absolute zwaartepunt de naderende dood van Hazel.  Augustus heeft vooral last van de vergetelheid die ons allen wacht na het sterven. “Ik weet dat dit onvermijdelijk is en dat we allemaal verdoemd zijn en toch ben ik verliefd op je Hazel.”

De twee hebben luchtige filosofische gesprekken over het leven en sterven. Zo zegt Augustus: “de definitie van de mens is zijn mogelijkheid om zich te verwonderen over de schepping!” En, “ik voelde na een chemo opwinding en dankbaarheid om me gewoon even te vergapen aan het leven.”

Het boek doet me erg denken aan de schrijver Pieter Steinz die sinds korte tijd de (fatale) ziekte ALS heeft. Elke zaterdag verbindt hij in een rubriek in de NRC zijn ziekteverloop met de boeken die hij herleest, waaronder klassiekers als bijvoorbeeld Oblomov, de Toverberg en Alice in Wonderland. Ik verbaas me elke week weer hoe hij met behulp van zijn liefde voor de literatuur op een droge rationele manier kan schrijven over zijn fysieke aftakeling.

“Opnieuw prees ik me gelukkig dat ik de bulbaire variant van ALS heb. Die is wat agressiever, en de uitvalsverschijnselen beginnen rondom het spraakcentrum, zodat je al snel niet meer kunt praten; maar doordat mijn ademhalingsspieren het waarschijnlijk eerder begeven dan de rest, wordt me de beproeving van Noirtier (een met zijn ogen communicerend karakter uit de Graaf van Montecristo) bespaard.”

Hoe kun je zo nuchter schrijven over je eigen naderende dood? Steinz geeft zelf een antwoord:

“De nuchterheid kwam als vanzelf. Ik was 49, best jong, maar ouder dan veel andere ALS-patiënten; ik had al een mooi leven achter me: dertig jaar gelukkig samen, twee gezonde volwassen kinderen, drie carrières, tien boeken geschreven. Ik had in mijn leven te veel geluk gehad om niet te kunnen berusten in botte pech.”

Filosofen zeiden vroeger al dat leven leren sterven is. Als je je verzoend had met de onvermijdelijke dood, was het makkelijker om daarvoor een gelukkig leven te leiden. De columns van Steinz zijn hier bewonderenswaardige en leerzame voorbeelden van. Evenals The Fault in Our Stars. Want hoe je omgaat met je dood ligt blijkbaar niet vast in de sterren, maar aan jezelf. Het is eigenlijk jammer dat Augustus en Hazel niet met Pieter Steinz kunnen corresponderen.

Ps elke column van Steinz staat op nrc.nl en is het waard om terug te lezen, maar deze is toepasselijk voor Geluk voor Beginners.